Meneer

Ik lig op de bank met mijn hoofd in de zon, heerlijk eventjes een pauze nemen. Ik voel me nog steeds onzeker, wat is dat nou toch? Die kriebels willen er gewoon niet uit.

Ik pak Mn telefoon want ben onrustig, kan de rust niet echt vinden. Ik zie een filmpje langs komen, het gaat over loslaten. Ik klik erop en bekijk het filmpje. Hoe eenvoudig je tegen jezelf kunt zeggen; laat het los, daar gaat het over.

Het klinkt zo makkelijk en misschien is dat het ook wel. Ik probeer het een keer, baad het niet dan schaadt het niet. Waarom is dat toch dat ik in huis zo onzeker ben. Zodra ik weg ben is het snel over. Ik merk het ook aan de hond, buiten is ze zo relaxed, daar luistert ze zo goed. Ik hoef amper iets te doen of te zeggen, het gaat gewoon super. We voelen elkaar heel goed aan, maar zodra ik weer bijna thuis ben komen de kriebels weer. Thuis denkt ze mij te moeten beschermen, luistert ze niet goed naar me. Ze vertrouwt er niet op dat ik het aankan. In die zin, wel als ik alleen ben maar als de jongens er zijn dan is het een gedoe.

Ben er wel achter hoe ik haar gedrag kan sturen, de stapjes heb ik kleiner gemaakt. Net als bij mezelf, niet teveel in 1 x willen. Gewoon rustig stapje voor stapje. Ik heb een doel, mijn gezin beschermen. Daarvoor moet ik nu echt hard werken, want ik kan hier verandering in brengen.

Ik probeer de oefening, ik moet tegen mezelf zeggen; kan ik het loslaten? Wil ik het loslaten? Wanneer wil ik het loslaten? Ik doe het en inderdaad, ik voel me rustiger. Er komt verdriet naar boven, ik gooi het eruit. Kan ik maar weer kwijt wezen denk ik dan. De kriebels zijn minder geworden, ik zucht nog een paar keer diep.

Ik pak de hond en we gaan naar buiten, ergens bij het water zit een oude man in een rolstoel. Ik loop naar hem toe, hij zit te dutten. Ik maak hem wakker en vraag of alles oké is. Hij verteld dat hij in het bejaardentehuis woont aan de overkant maar dat hij liever dood wil. Zijn vrouw is jarig vandaag dus doet hij het maar niet, maar anders was hij de sloot in gereden zegt hij. Ik besluit de man een eindje mee te nemen met de hond. We kletsen een tijdje en ik koop een broodje voor hem. Hij had niet gegeten want dat rare eten in dat huis dat lust hij niet.

De man wordt wat rustiger, we zitten in de zon met Coosje naast ons. Hij vertelt dat hij verlamd is, al 15 jaar zit hij hier. Hij wil niet meer, hij wil gewoon alleen nog maar dood. Hij vertelt over zijn leven en vraagt mij wat dingen. Ik ben ongelukkig, want ik kan niks meer zegt hij. Niks meer zeg ik? U zit hier toch nu? Gezellig met mij te kletsen, genietend van zon en een croissantje. Ja dat is waar. Nou dan kunt u toch wel iets nog? Ja maar mijn vrouw woont hier niet en ik kan niet motorrijden en ik kan geen mooie dingen meer kopen. Dat klopt ja, maar word u daar echt gelukkig van? Nee niet echt nee, maar ik ben gewoon boos. Ik zie anders helemaal geen boze meneer zeg ik, maar een meneer die een gezellig praatje met me houdt. Ja mevrouw, dat is wel waar, ik vind u erg prettig gezelschap.

Logisch ik begrijp het helemaal, maar ik zie ook meteen dat het zo weinig zin heeft om je rot te voelen. De man is echt niet gelukkig, hij blijft maar boos op alles om hem heen en op alles wat hij niet meer kan, maar wat heeft het voor zin? Niemand wordt er gelukkig van en hij zeker niet, hij maakt het niet alleen voor zichzelf moeilijk maar ook voor iedereen om hem heen.

Ik breng de meneer terug, ik beloof hem dat als ik hem volgende keer weer zie ik hem weer meeneem voor een rondje met de hond. Hij bedankt me, meerdere zusters snellen op me af, waar heeft u hem gevonden? Tja daar verderop bij het water. Hij was weer boos, het zal wel weer. Hup weg zijn ze. Niemand keurt hem verder een blik waardig. Niemand kijkt naar de persoon die het gewoon heel moeilijk heeft met zichzelf. Ik zal wel weer gezeur krijgen zei hij nog, omdat ik weer weg ben gelopen.

Ik vind het triest maar ik kan deze meneer verder niet helpen. Ik heb gedaan wat ik nu kon doen, ik kan het loslaten. Hopelijk kan deze meneer zijn woede ook loslaten net als ik mijn onzekerheid. Ik werk eraan, stapje voor stapje …